Wim van der Elst (3 september 2018)

Wim van der Elst

Vijftien jaar geleden kwam WordPower op de markt – de macht van het woord. Uitgangspunt: een goedgekozen woord zegt meer dan 100 foto’s, met verschuldigde eerbied aan Marinus Blaak en Coen Mulder. Foto’s kun je photoshoppen, bewerken tot het resultaat dat je wilt zien, tot fake news – maar een goedgekozen wóórd zet je aan het denken. Niets kan dat vervangen. Ons motto: geef een probleem een naam, en je kunt het oplossen – je kunt er op z’n minst er iets mee doen.

Een probleem waar we ons de afgelopen jaren doorheen moesten slaan was de financiële crisis. Nu het weer beter gaat kunnen we ons op de oorzaak bezinnen. Dan hebben we het al uitvoerig gehad over banken die behoorlijk van het padje zijn geraakt, maar dat verklaart nog niet waarom het in het ene land zo hard aankwam en in het andere land wat minder. Waar het wat minder hard aankwam zagen we dat de spaartegoeden hoger waren dan in de landen die overeind gehouden moesten worden. Dat leidt tot de vraag: hoe komt het dat landen met vergelijkbare economieën en instellingen een radicaal verschillend spaargedrag vertonen?

En dan komen we bij de macht van het woord, van de taal. Een wereldwijd onderzoek van de afgelopen jaren van de universiteit van Yale – niet de minste onder de universiteiten – leverde bewijs voor een verrassende hypothese: het taalgebruik, beter gezegd: de structuur van de taal heeft een onweerlegbare relatie met de neiging tot sparen.

Als we kijken naar de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, de OESO, dan hebben we het over de rijkste en meest geïndustrialiseerde landen in de wereld die zich bijna allemaal hebben verbonden aan democratie, open markten en vrijhandel.

Ondanks die gezamenlijk gedragen waarden zijn er enorme verschillen in spaargedrag. Veel OESO landen sparen meer dan een kwart van hun bruto nationaal product, en sommige zelfs meer dan een derde.

Maar Griekenland heeft de afgelopen kwart eeuw nauwelijks meer dan 10% van zijn BNP weten te sparen. En het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten doen het niet veel beter.

Wat heeft taal daarmee te maken?

U bent net terug van vakantie en misschien bent u wel helemaal naar het buitenland geweest. Dan heeft u gemerkt dat talen buitengewoon verschillend zijn – niet alleen in woorden, maar ook in structuur. Linguïsten en gedragswetenschappers onderzoeken dat al jaren. Om eens twee redelijk verschillende talen erbij te halen: als ik u in het Nederlands zou voorstellen aan een oom zou ik zeggen: ‘dit is mijn oom’. Voor u – Hollanders – is de man daarmee afdoende gepositioneerd. Hartstikke duidelijk. In het Chinees zou ik – gedwongen door de taal en de structuur – moeten uitleggen dat het een broer is van mijn moeder, dat hij ouder is dan mijn moeder, of dat het een aangetrouwde oom is – die taal dwingt me dan ook veel meer informatie te geven. Ik woon in de buurt van Restaurant International en ik heb dit van een Chinees. Fascinerend. Maar even fascinerend is dat taalverschillen ook terugkomen in de wijze waarop over ‘tijd’ wordt gesproken. Laten we Engels en Nederlands vergelijken:

Engels: it rained yesterday, it is raining now, it will rain tomorrow: verleden, heden, toekomst. Het Engels bevat veel informatie, veel taal, over de timing van de gebeurtenissen. Je kunt in het Engels niet zeggen: ‘it rains tomorrow’. Daarmee is het Engels een Germaans buitenbeentje, en dat zullen ze aan de andere kant van de plas maar al te graag bevestigen.

Alle andere Germaanse talen hebben een heel andere toekomstige tijd: in goed Nederlands kun je zeggen: het regende gisteren, het regent vandaag, het regent morgen. En dat kan leiden tot een intrigerende hypothese:

De manier waarop je over ‘tijd’ spreekt en hoe je taal je over ‘tijd’ laat denken, beïnvloedt je gedrag. Engels is een taal met een verplichte toekomstige tijd. Dat betekent dat je, elke keer als je het over de toekomst hebt of een toekomstige gebeurtenis, grammaticaal wordt gedwongen dat te scheiden van het heden en het te behandelen als iets dat intuïtief anders is. Stel nu dat dat intuïtieve verschil ervoor zorgt dat, telkens als je spreekt, dit een subtiele scheiding maakt tussen toekomst en heden. Als dat zo is en de toekomst wordt ervaren als iets ver verwijderd en verschillend van het heden, wordt sparen moeilijker.

Als je daarentegen een taal spreekt zonder toekomst – en dan bedoel ik niet een ‘failed language’, een beladen woord sinds deze zomer, maar zonder verplicht gebruik van de grammaticale toekomstige tijd – dan spreek je op dezelfde manier over het heden en de toekomst. Als dát je subtiel aanzet om heden en toekomst als hetzelfde te ervaren, zal het gemakkelijker zijn om te sparen. Een fantasierijke theorie.

De fantasie van Yale is aan een wereldwijde test onderworpen. Talen zonder toekomst – ik zeg het maar even kortheidshalve zo – vind je geïsoleerd over de hele wereld. In Noord-Europa zijn dat IJsland, Scandinavië, Duitsland, Nederland en Vlaanderen, Luxemburg, Duitsland, Oostenrijk en Duitssprekend Zwitserland. Daar zitten ook verreweg de beste spaarders! Het onderzoek bracht aan het licht dat van twee vergelijkbare gezinnen in Brussel – de een Waals, de ander Vlaams –– dat de sprekers van de taal zonder toekomst jaarlijks 30% meer sparen dan de ander.

Dat heeft ook cumulatieve effecten: bij pensionering hebben sprekers van talen zonder toekomst bij een gelijk inkomen 25% méér gespaard. En er kwamen meer onthullingen uit het onderzoek: zo is ook het rookgedrag onderzocht. Roken is een soort negatief sparen, want sparen is huidige pijn inruilen voor toekomstig plezier, dus dan is roken het huidige plezier inruilen tegen toekomstige pijn. Je zou dus een omgekeerd effect te zien moeten krijgen, en dat bleek ook: het is ruim 20% minder waarschijnlijk dat sprekers van talen zonder toekomst ooit roken. In het verlengde hiervan: ruim 15% is minder geneigd obesitas te ontwikkelen, en ruim 20 procent is méér geneigd condooms te gebruiken.

Het heeft er alle schijn van dat onze taal, elke keer als we spreken, ons op subtiele wijze aanzet tot nadenken over de toekomst. Het zijn subtiele effecten die onze beslissingen beïnvloeden, maar als we die effecten goed begrijpen en verwoorden kunnen we – doelbewust – betere spaarders maken en daarmee betere investeerders in de eigen toekomst.

Zoals in aanvang al gesteld: geef een probleem een naam, en je kunt er wat aan doen.

You may also like