EGBERT WILLEMS

Egbert Willems

‘Vorige week heb ik mij met mijn vrouw Simone teruggetrokken in “la douce France” om in alle rust deze column te kunnen voorbereiden.
Bij het bedenken over welk onderwerp ik u hedenmiddag zou gaan bezighouden heb ik vele onderwerpen de revue laten passeren. De Herfstvakantie kon daarvoor ook mooi voor worden gebruikt.
Aan Coen Heldeweg had ik opgegeven het te willen hebben over de maakbaarheid van de samenleving. Al schrijvende kwam ik tot de conclusie dat dit onderwerp wellicht iets meer voorbereiding en studie vergt dan op het eerste gezicht leek.
Wellicht dat het tussen de bedrijven door nog langs komt.

Al rijdend door Frankrijk met mijn caravan aan de trekhaak, waan ik mij een moderne zigeuner en zit ik met enige regelmaat te denken aan al diegenen die in het buitenland hun heil hebben gezocht in een semi-permanente woonplek.
Hun tweede huis. Om in het Frans aan te duiden hun “pied a terre”.
Letterlijk voet op de grond.
Vroeger dacht ik dat dit slechts was weggelegd voor de happy few, maar vandaag de dag blijkt dat ettelijke tienduizenden Nederlanders in Frankrijk, Spanje of Italië hiertoe behoren.
Wat brengt een mens ertoe om naast zijn of haar vaste woonplaats te kiezen voor een voet aan de grond in het buitenland?
Het weer in Nederland?
Aanzien?
Avontuur?
Uitdaging?
Het meest verbaasd ben ik dat diegenen die deze stap zetten of hebben gezet over het algemeen druk bezette lui zijn, die in hun dagelijks leven een druk bestaan zo mogelijk nog drukker en hectischer maken.
En nu zie ik u al denken: daar kom je dan mooi tot rust.
Vergeet dan niet dat je toch telkens de auto en/of het vliegtuig nodig hebt om ter plekke te komen.
En als je er bent, wacht menig huishoudelijk karwei. Om van de tuin en het zwembad maar niet te spreken. De villa van Rik Felderhof in Zuid-Frankrijk zullen maar weinigen zich kunnen permitteren. Althans wat het onderhoud betreft.

Mijn verwondering wordt nog groter als ik bedenk dat een mooi tweede huis zo veel aanspraak op alle beschikbare vakantiedagen maakt, dat alternatieve vakantiebestemmingen niet of nauwelijks aan de orde komen. Dat kan natuurlijk ook welbewust de bedoeling zijn, want al die andere vakantiebestemmingen kun je tijdens je leven toch nooit alle bezoeken.
Deze uitdagingen kent een tweede huis bezitter niet. De tweede huis bezitter moet telkens naar dezelfde plek. Dat geeft ook wel weer enig houvast, het geeft ook weer wat zekerheid in het leven. Bovendien kan het tweede huis ook door de kinderen worden gebruikt.
Wel moet je natuurlijk regelen hoe het toezicht loopt wanneer jij en niet bent. Dat het water in de winter op tijd wordt afgesloten. Dat er iemand repareert als het dak lekt, een boom is omgewaaid of er toch is ingebroken.
Natuurlijk kan het klimaat een rol spelen, of de behoefte je te onderscheiden van het gemene volk. Maar eenmaal in het bezit van een second home dient ook meer te worden geregeld.

Als notaris kom ik dan ook regelmatig met het fenomeen tweede huis in aanraking.
Niet dat ik huizen in het buitenland kan overdragen, daarvoor zijn mijn buitenlandse collega’s. Omgekeerd plegen zij geen broodroof bij de overdracht van Zeeuwse bungalows of Amelandse zomerhuisjes.
Bij onze kartelwaakhond, de NMA, vindt men dit maar niks, maar gelukkig zijn er in Europa nog verstandige lui die vinden dat juristen het beste hun eigen recht kunnen beoordelen. Meestal is dat ook volkomen waar; wat weet ik nu van Frans of Spaans erfrecht of fiscaal recht?

Bij het maken van testamenten komt dit onderwerp vaak aan de orde, althans bij diegenen die over een 2e huis beschikken. In ieder testament wordt een rechtskeuze opgenomen, dat wil zeggen welk rechtsstelsel de toekomstige erflater verkiest.
Niet dat verkozen kan worden elk willekeurig exotisch rechtsstelsel. Neen, het Nederlandse recht is standaard.
Niet vergeten mag immers worden dat de toekomstige erflater met buitenlands bezit, ook daar sneeft en welke regels zijn dan van toepassing in zo’n situatie? Uiteraard kiezen we voor Nederlands recht, maar in het buitenland zijn ze ook niet gek.
Huisjes en bankrekeningen, voor de verhuur bijvoorbeeld, worden zonder uitzondering aangemerkt als binnenlands bezit, zodat elke rechtskeuze wordt doorkruist. Overigens zijn we in Nederland geen haar beter; we doen hetzelfde.
Sterker nog: we kennen hier de zogenaamde tien-jarenregel. Als je echt emigreert, dus als je alle schepen hier achter je verbrandt, geen binding meer hebt met Nederland, dan nog wordt je geacht nog 10 jaar lang fiscaal staatsburger te zijn.
Kort geleden is deze regel op zijn Europeesrechtelijke houdbaarheid gecontroleerd bij het Europese Gerechtshof in Straatsburg en gelukkig voor de minister van Financiën werd de regel toegestaan.
De lokale spelregels bepalen dus hoe een huis of een bankrekening in eigendom overgaat of vererft.

Dan doet zich de vraag voor hoe moet je dat dan regelen en hoe zit het met de belastingheffing. Dit betekent dat er een regeling moet worden gemaakt die zo algemeen is dat niet daar een buil aan valt. De meeste belangstelling gaat meestal uit naar de fiscale gevolgen. Ieder land beschouwt het huis en de bankrekening als binnenlandse aangelegenheid en heft. Als een Nederlander vermogen in het buitenland nalaat worden zijn erfgenamen ook in Nederland belast, dus dubbel belast. Velen moeten hun heil zoeken in de (RVDB) Regeling ter voorkoming van dubbele belasting. Dit biedt enig soulaas, maar helaas onvoldoende.
Soms zijn er trucs om het buitenlandse bezit te transformeren naar Nederlands bezit en dus de heffing te halveren. Een Franse SCI (Société Civile Immobilière), anders gezegd: een onroerend goed maatschap, is zo’n oplossing.

De moraal van dit verhaal is dat er heel wat onrust tot rust moet worden gebracht voordat een tweede huis in het buitenland een rustig bezit is geworden.
Een goed testament is dan wel het minste.
Voorlopig blijf ik met mijn caravan nog maar even door Europa trekken.’

1 november 2010