3 juni 2013: WIM VAN DALFSEN

3 juni 2013: Wim van Dalfsen

‘De twee gezichten van Almelo’

Hoe ken ik Almelo en hoe heb ik indertijd met Almelo kennisgemaakt? Ik ben al geïntroduceerd met mijn functie als vertegenwoordiger van de Kamer van Koophandel voor de gemeente Almelo. Ik doe dat al ongeveer 12 jaar. Dat is al heel lang zult u zeggen. Nog nooit van die man gehoord. Dat klopt. Ik heb er voor gekozen om op de achtergrond te opereren. Maar degenen die mij moeten kennen, die kennen mij wel!

Ik ben dus geen BN’er: bekende Nederlander. Ik ben ook geen BT’er: bekende Tukker. Ik ben zelfs geen BA’er: bekende Almeloër. U kunt mij het beste omschrijven als een BB’er: een betrokken buitenstaander.
Toen ik 12 jaar geleden bij de Kamer van Koophandel kwam werken, kreeg ik naast enkele andere gemeenten, Almelo toegewezen als gemeente waar ik de contacten namens de KvK ging behartigen. In mijn omgeving werd daar niet onverdeeld positief op gereageerd. En zo kreeg ik te maken met dat ene gezicht van Almelo, dat onmiskenbaar aanwezig is. “Trainingspakkencity” werd mij meegedeeld. Armoedig en sjofel kreeg ik als indruk nog voor dat ik er geweest was. Het is een imago waar Almelo duidelijk mee te kampen heeft. Enerzijds is dat gewoon gebaseerd op een stuk werkelijkheid waar je in Almelo niet omheen kunt. Die armoede is er gewoon.
Anderzijds wordt het ook steeds weer opnieuw benadrukt door allerlei publicaties én ik denk ook door het zelfbeeld waar grote groepen inwoners in Almelo gewoon niet van los komen. Daarbij gelden voor mij twee fenomenen als katalysators.

Twee fenomenen die volkomen los van elkaar staan, maar die op een of andere wijze toch de ondergrond vormen voor de houding waarmee veel mensen Almelo beoordelen. Minder algemeen bekend maar toch zeer invloedrijk is het boek “Alle dagen schuld” van Mirjam Pool waarin de positie en het leven van bijstandsgerechtigden in Almelo wordt omschreven. Het zijn indringende verhalen die in alle grote gemeenten in Nederland voorkomen. Echter op één of andere manier blijven deze toch vooral aan Almelo kleven. Almelo is daarmee – bedoeld of onbedoeld en terecht of onterecht – bij een grote groep invloedrijke mensen het prototype geworden van een stad waar de armoede vanaf straalt.

Het andere fenomeen is veel bekender en wordt te pas en te onpas gebruikt. Het is het bekende rijmpje van cabaretier Herman Finkers: “Het stoplicht springt op rood, het stoplicht springt op groen, in Almelo is altijd wat te doen”. Het is niet ongeestig, maar ook hier kun je zeggen dat het opgaat voor 99% van alle plaatsen in ons land. En toch blijft het aan Almelo kleven. Almelo moet zo – zonder dat mensen ooit hebben kennis gemaakt met de stad zelf – vechten tegen het imago van een dodelijk saaie stad waar nooit wat te doen is.
De combinatie van deze twee fenomenen zadelt de stad op met een beeld waartegen het moeilijk vechten is. Voor Herman Finkers geldt dat hij hierdoor voor eeuwig schatplichtig is aan zijn geboortestad. Hij zou zich voortdurend moeten inspannen om ook de andere – positieve- kanten van zijn stad wijd en zijd te verkondigen. Almelo moet hem hierop aanspreken.

Terug naar mijn eigen ervaringen.
Bij mijn eerste bezoek kon het daarna alleen nog maar meevallen. En dat deed het ook! Maar niet direct. Ik had moeite om de binnenstad te vinden. Toen ik in het begin van de Rabobank naar het Theaterhotel moest, ben ik helemaal rondgereden. Later ontdekte ik pas dat er maar 200 meter tussen lag. Veel mensen hoor ik dat zij het zelfde probleem hebben. Zelfs een stedenbouwkundige vertelde bij de presentatie van het aloude Masterplan, dat hij zich moeilijk een “mental map” van Almelo – in zijn hoofd – kon vormen.
Maar toen ik de binnenstad leerde kennen vond ik deze leuk. Er zijn nog genoeg oude panden om het centrum – samen met de nabijheid van het kasteel -een eigen authentiek karakter te geven. De horeca van Almelo is ronduit een sterke factor waarbij het Theaterhotel het middelpunt vormt. Daarbij komt, dat de natuur als het ware de stad in kruipt en dat de omgeving van een klasse is die alleen maar te omschrijven is als “De heerlijkheid Almelo”.

Eigenlijk heb ik na die eerste introductie amper nog kennis gemaakt met dat andere gezicht, dat ik hiervoor heb omschreven. Door mijn functie en positie kwam ik juist in aanraking met het sterkste punt van Almelo: het gevarieerde en zeer innovatieve bedrijfsleven. Almelo kent tientallen magnifieke bedrijven die ieder voor zich op wereldniveau voorop lopen in hun branche. Ik ga ze niet opnoemen. Ieder hier in de zaal aanwezig kent ze. We weten gewoon dat ze hier zitten. Wellicht is het té gewoon geworden; te vanzelfsprekend. Almelo zou hun aanwezigheid veel meer moeten gebruiken om de stad te promoten. Kan Heracles wellicht een cluster van innovatieve bedrijven aan zich binden?
Een sterk punt dat daar direct bij hoort, is dat de stad nog volop ruimte heeft om te groeien. Als bedrijven grootschalige activiteiten willen opzetten in Twente, dan kan dat vooral in Almelo. Wat dat betreft is de komst van het XL-business park een grote zegen voor Almelo. Het kan zijn dat het aantal vestigingen door de crisis nu even een beetje tegen zit, maar op de lange termijn zal Almelo hiervan uitbundig profiteren.

Het initiatief “Port of Twente” dat verschillende bedrijven onder aanvoering van transportbedrijf Bolk hebben genomen, hoort hierbij. Ik heb de stellige verwachting dat hier nog “letterlijk” grote zaken uit voortkomen. Ook de andere kant van Almelo kan hiervan profiteren. Distributiebedrijven die zich op het XL-park vestigen hebben medewerkers nodig. Met hogere opleidingen, maar vooral ook met lagere opleidingen. De gemeente Almelo en haar inwoners zullen zich moeten inspannen om mensen daarvoor te leveren.

Toen ik onlangs het nieuwste bedrijf Timberland bezocht, hoorde ik zo’n beetje alle talen van de wereld spreken. Maar echt Almeoooooos, heb ik daar niet veel gehoord. Er ligt een uitdaging en een opgave voor ieder in Almelo om in te spelen op die nieuwe bedrijfsvestigingen die er ongetwijfeld zullen komen. Daar moeten Almeloërs aan het werk!
Ik durf het nog wel stelliger te zeggen. Vorige gemeentebesturen van Almelo hadden de ambitie om de stad te laten groeien tot wel 100.000 inwoners. Die ambitie is nu terecht losgelaten. Het was een stapje te ver. Het is ook verkeerd gegaan omdat aan de verkeerde kant is begonnen. In de gedachte van: als je woningen bouwt dan komen de inwoners van zelf.
Mijn stelling is: als je zorgt voor werkgelegenheid, dan krijg je inwoners en dan worden er vanzelf huizen gevraagd. Kortom wat mij betreft hoeft de ambitie nog niet helemaal in de ijskast!

Hoe moet je die bedrijven dan krijgen?
Ik geloof daarbij in de macht van het kleine. In de macht van één persoon die de wereld kan veranderen. In de voetbalspits die 20 keer voor niets loopt, maar de 21ste keer wel die goal maakt. Daarom zal de promotie van Almelo dan ook in eerste instantie gericht moeten zijn op de eigen ondernemers en de eigen inwoners. De ambitie moet zijn dat iedere inwoner, ambassadeur, nee sterker nog promotor van Almelo wordt. Als je zover komt dat ook de Mien de secretaresse of Jan aan de lopende band zijn directeur tipt over de vestigingsplaats Almelo, dan zal er 100 keer om gelachen worden, maar de 101de keer is het raak. Zo gaat het in het klein en zo gaat het in het groot. Ieder die met Almelo verbonden is – dus ook ikzelf – heeft de plicht om de stad mee te nemen in zijn contacten.
Met een variatie op die bekende uitspraak van die bekende president: “Vraag niet wat Almelo voor jou kan doen, maar vraag je af wat jij voor Almelo kunt doen!”

Almelo heeft de infrastructuur om elkaar te beïnvloeden en te enthousiasmeren, want hier heb je tal van vereniging en, clubs en andere formele en informele plekken waar mensen elkaar ontmoeten en elkaar beïnvloeden. Ik ken natuurlijk vooral die van de ondernemers: de IKT, de Poort van Twente, de Doorbraak, ROC BtoB, Centrum Almelo Actief, Stichting Promotie Almelo. Maar daarnaast zijn er ook veel informele clubs: de herenclub, sigarenrokersvereniging de Dampkring en noem maar op. Ik zit in verschillende clubs waaronder Energiek Almelo, een samenwerkingsverband van alle voorzitters van ondernemersverenigingen. Ik zie veel, ik hoor veel. Soms is het een verhaal, soms is het een gerucht, soms is het waar soms is het niet waar, of toch wel?

Ik zit er midden in. Ich bin ein Almeloër!