7 april 2014: WIM VAN DALFSEN

7 april 2014: Wim van Dalfsen

Herman Hazewinkel, het internet der dingen en alles wat daaraan vast zit

U heeft vandaag één van de prominentste Tukkers in uw midden: Herman Hazewinkel. Hij loopt zodanig in de kijker dat ik vorig jaar in mijn columns al twee keer aandacht aan hem heb besteed. Zoals u net heeft gehoord, schrijf ik wekelijks de economische column Verdienste in het Twents opinieweekblad De Roskam. Overigens, niet alleen daarom zou u in overweging moeten nemen om u op het blad te abonneren.

Ik begin mijn column met Herman Hazewinkel omdat hij bij zijn publieke optredens steeds behartenswaardige dingen zegt. Vorig jaar september heb ik de volgende woorden aan hem gewijd over de rijksbegroting. Ik schreef toen:

Na de cijfermatige uitleg van prof. Flip de Kam komt in de forumdiscussie Herman Hazewinkel aan het woord. Hij vertelt dat hij het advies van de Raad van State over het verloop van de Rijksbegroting er nog eens op nageslagen heeft. Daaruit blijkt dat sinds 2007 de kosten van de Gezondheidszorg met ongeveer 20% en de kosten van de Sociale Zekerheid en alles wat daarbij hoort met circa 25% zijn gestegen. Als je in ogenschouw neemt dat deze beide begrotingsposten bijna 60% van de totale begroting uitmaken, dan kun je tegelijk vaststellen dat al die andere begrotingsposten maar klein bier betekenen. Aan de Zorg en aan de Sociale Zekerheid zijn we per post bijna € 80 miljard kwijt. In totaal dus € 160 miljard op een totale begroting van bijna € 270 miljard. Wat betekent dan bijvoorbeeld  nog een extra bezuiniging op Defensie waar we in totaal maar ruim zeven miljard aan uitgeven? En moet je eens kijken wat je daarbij overhoop haalt? Van ons leger blijft bijna niets over.

Deze opsomming geeft aan dat je grote bezuinigingen alleen kunt halen als je op de grote posten bezuinigt. Het is dan ook terecht dat Herman Hazewinkel  de vraag stelt: zijn de voorzieningen nog wel houdbaar? Terwijl hij dat doet dwaalt mijn oog naar het cijfermatig overzicht van Flip de Kam dat op een scherm achter het panel wordt vertoond. Uit aardgasbaten verwacht het Kabinet nog bijna € 12 miljard binnen te krijgen. Hoeveel jaar nog?, denk ik. Daarnaast realiseer ik me dat ons land het tekort op de begroting – bijna € 18 miljard – ook in de komende jaren moet afbouwen. We moeten tenslotte naar begrotingsevenwicht.

Dat was vorig jaar september. Ik ben benieuwd hoe hij hier vandaag  tegenaan kijkt, nu de cijfers en de geesten weer wat positiever zijn. Want vorig jaar december constateerde ik bij de presentatie van “Twente index” dat de inbreng van Herman Hazewinkel niet bepaald rustgevend is. Dat ging als volgt:

Herman Hazewinkel, brein achter de Strategy  Board van Twente, schetst vervolgens vier trends waardoor je als toehoorder bepaald niet wordt gerustgesteld. Onze groei van de afgelopen tien jaar is gefinancierd door grote schulden te maken. Schulden die nu moeten worden afgelost. Er vindt een global shift plaats, een verschuiving van economische aandacht van Europa naar andere werelddelen. In Europa zelf heb je de veel genoemde vergrijzing waardoor onze groei achterop raakt en tenslotte noemt hij de digitale revolutie: de opkomst van het internet. Hij denkt dat deze trends net zo invloedrijk zijn als de industriële revolutie die Twente honderd jaar geleden op de kop heeft gezet. Hij noemt als voorbeelden de Detailhandel en de Bouw waar oude verdienmodellen niet meer van toepassing zijn.

Tot zover Herman Hazewinkel. Hij noemt de woorden internet en digitale revolutie. Ik herhaal ze want daar wil zelf ik nog even op doorgaan. Er zijn namelijk nog grote ontwikkelingen te verwachten. De digitale revolutie is tot dusver vooral zichtbaar geweest. Je ziet nu bijvoorbeeld iedereen met een smartphone lopen. Daardoor kent onze tijd specifieke houdingen die je vroeger niet kende. Ik geef u non-verbaal  een paar voorbeelden van vroeger en nu:

Man die staand de krant leest
Tienermeisje dat haar mobieltje al fietsend op haar mobieltje kijkt
Een autobestuurder die in de file zijn mail raadpleegt
Selfie

Wat er nu staat te gebeuren is dat internet nog verder oprukt, maar dan onzichtbaar. In auto’s is er nu al veel elektronica verwerkt. Dat zal ook in vele ander producten gaan gebeuren. Bij voorbeeld in het huishouden:

Koelkasten gaan zelf bijhouden welke producten er liggen en welke de houdbaarheidsdatum naderen. De verwarming kun je op afstand bedienen en houdt zelf bij of er iemand in huis is en slaat automatisch af als er geen mensen zijn.

In bedrijven gaat het nog veel verder

Bruggen worden via internet bewaakt. Datzelfde gebeurt met fabrieks- en zelfs nucleaire installaties. Je kunt je voorstellen wat er gebeurt als die uitvallen of worden gesaboteerd. Toch is dat niet de grootste zorg bij deze ontwikkelingen.

Internet rukt ook op in sectoren waar je het minder verwacht. Nu zie je dat middelbaar en soms zelfs hoger geschoold werk wordt overgenomen door computers of een geautomatiseerd netwerk. Bijvoorbeeld in het bankwezen. Waar vroeger de opdrachten werden ingevuld door vriendelijke, behulpzame dames en heren klantadviseurs, vult de klant nu zelf zijn formulieren digitaal in.

Zelfs in de journalistiek neemt de computer al werkzaamheden over. Er zijn computers die weerbeelden analyseren, temperaturen en windsterkte en windrichting bepalen en op grond daarvan zelf een weerbericht schrijven. Het zal wel saai zijn met standaardwoorden en -zinnen, maar hij doet het wel!

Door deze ontwikkelingen worden bij banken, accountants, adviesbureaus en bij de overheid – zoals gemeenten en de belastingdienst – op grote schaal mensen ontslagen en arbeidsplaatsen niet meer ingevuld. Een zelfde soort beweging dus als in de detailhandel, waar het kopen via internet tot een grote uitstoot van winkels en dus winkelpersoneel leidt.

Veel mensen komen zo zonder, of met een veel lager inkomen  te zitten. Het lijkt op de industriële revolutie van een eeuw geleden. Maar de situatie is gecompliceerder dan toen, want productie en consumptie vindt nu niet binnen een land plaats maar over de gehele wereld. Het gevolg is wel dat de middenklasse  in westerse landen in een situatie komt waarin ze die mooie nieuwe, geautomatiseerde producten niet meer kunnen kopen.

Beleidsmakers, economen, politici  en columnisten beginnen langzaam te begrijpen dat deze ontwikkeling voor nieuwe armoede gaat zorgen.

Wiebe Draaier – nu nog voorzitter van de SER , straks directievoorzitter van de Rabobank – heeft voorgesteld om een nieuw groeidebat te houden. De WRR – de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid – heeft zich daarbij aangesloten en daarover een uitgebreid rapport uitgebracht. Eind vorig jaar kwam de Boston Consulting Group (BCG) met een rapport over het zelfde onderwerp. Titel: “NL 2030. Contouren van een nieuw Nederlands verdienmodel”.

Daarin staat niet zo’n makkelijke boodschap. We zijn een welvarend land, maar die welvaart staat onder druk. Onze welvaart is voortgekomen uit een ‘verdienmodel’ dat steunt op onze geografische ligging, hoogopgeleide bevolking, hoge kwaliteit van infrastructuur en internationale handelsgeest. Dat model voldoet echter niet meer. Het is niet zozeer dat we achteruit zijn geboerd, maar andere landen hebben ons op die punten ingehaald. Om op langere termijn succesvol te blijven moeten we ons dus vernieuwen.

Ach, denkt u, dat zal wel loslopen. BCG komt echter met een constatering die mij aan het denken heeft gezet. Ons welvaartniveau wordt voor een groot deel bepaald door dat deel van de economie dat is blootgesteld aan internationale concurrentie: ongeveer 25% van onze mensen. Een boer hier verdient ongeveer 65 x zo veel als een Thaise boer. Dat komt omdat hij 75 x zo veel produceert. De andere driekwart van onze bevolking is niet of nauwelijks blootgesteld aan internationale concurrentie. Neem bijvoorbeeld kappers, buschauffeurs of rechters. Zij verdienen ook heel veel meer dan hun Thaise collega’s. Dat komt echter niet doordat zij zoveel meer knipbeurten doen, ritten maken of vonnissen vellen. Zij drijven als het ware mee op dat deel van de economie dat wel blootstaat aan die internationale concurrentie. De productiviteit van de bedrijfstakken die wel blootstaan aan de internationale concurrentie is daarom cruciaal voor onze welvaart.

Hoe houden we die productiviteit en dus onze welvaart op het niveau dat we op dit moment hebben? Welke maatregelen zijn daarvoor nodig? Het antwoord is niet een één woord of één zin te zeggen. Het komt er op neer dat we ons flexibel moeten opstellen en ons voortdurend moeten vernieuwen en aanpassen aan veranderende omstandigheden in de wereld.

Daarmee kom ik terug op de woorden die Herman Hazewinkel vorig jaar dus al naar voren bracht. Hoe denkt hij daar nu over? Is hij van mening  dat ons land die flexibiliteit kan opbrengen? Moet onze verzorgingsstaat daarvoor drastisch aangepast worden? Wat is de positie van Twente daarin en daarbij natuurlijk in het bijzonder die van Almelo?

Ik ga stoppen, want ik wil Martin Steenbeeke als  interviewer niet voor de voeten lopen. Bovendien kan die zijn eigen bontjes wel doppen. Ik wil afsluiten met één suggestie:

Ik stel voor om  meer aandacht te besteden aan ondernemerschap. Meer ondersteuning aan mensen met plannen voor nieuwe producten in de industrie of de ICT.  Of mensen met ideeën voor export of projecten in het buitenland. Want dat zijn de ondernemers die – met de mensen die ze in dienst nemen – bloot komen te staan aan de internationale concurrentie. Zij zijn het die straks het welvaartspeil bepalen waar wij allemaal van profiteren.