JACOB MELSEN

Jacob Melsen

Tegengeluid

Iedere stad met een enigszins omvangrijk bedrijfsleven kent ondernemersbijeenkomsten. Zo ook Almelo. Een beproefd format is die welke ook Zakelijk Almelo gebruikt.

Allereerst is daar het organisatiecomité. Een dergelijk comité vindt haar plezier allereerst in de voorbereiding en met name in de contacten binnen de eigen kring. De voorzitter, die meestal het programma inleidt, kijkt op de bewuste avond of de gasten er zijn en schat en waardeert de opkomst. Als dit alles naar tevredenheid is zit het werk er eigenlijk op.

De tweede speler is de interviewer, meestal een professionele vragensteller die de eeuwige strijd voert tussen welwillendheid en kritische zin. Aan de ene kant moet het natuurlijk wel een beetje leuk blijven, aan andere kant is er ook de beroepseer.

De derde speler is de columnist, meestal een man of vrouw die er van overtuigd is begiftigd te zijn met de gave van het woord en een vorm van zendingsdrang in zich bergt.

Uiteraard is er het hoog geëerd publiek bestaande uit een bonte stoet ondernemers, managers, bestuurders, adviseurs, dienstverleners en mensen met een zelfbenoemde titel voor hun aanwezigheid.

Last but not least zijn er de gasten. Deze zijn grofweg in vier categorieën te verdelen. De eerste categorie is de gast die te graag wil. Het organisatiecomité heeft haar smoezen over een evenwichtig programma, contrastwerking of een themabijeenkomst verbruikt en wil niet al te onhoffelijk worden en past de gast in.
De tweede categorie is de gast die desgevraagd best een verhaal wil houden al was het maar om de organisatie een plezier te doen. Hij of zij doet dat als vanzelfsprekend. Tenslotte moet je ergens zijn op maandagavond om 18.00 uur en waarom dan niet hier.
Dan is er de gast die nooit gast wordt. Dit is de notoire standvastige neezegger. Niks of niemand kan hem of haar bewegen tot een bijdrage.
Tenslotte is er de gast die eigenlijk niet wil en eigenlijk ook niet durft. Maar na talloze begrafenissen van oudtantes op een onwaarschijnlijke hoge leeftijd en een ongeloofwaardige veelvoud aan overnamebesprekingen is het smoezenboek uit en rest hem (het zijn vooral mannen) niets anders dan toe te zeggen omdat absolute botheid hem vreemd is.

De meeste gasten worden bevraagd over hun successen: gedurfde overnames, intelligente transities of ingenieuze productvernieuwingen. De gasten die willen en durven spreken over teleurstellingen, missers en afgronden zijn schaars maar meestal uiterst boeiend.

Meestal beweegt het gesprek zich tussen het stoer zakelijke, het anekdotische en het politiek correcte. Maar dan plotsklaps is hij er weer (ook hier zijn het meestal mannen): de gast die het podium heeft gevonden om zich te beklagen over werknemers en/of ambtenaren. Aangespoord door een merkwaardige vorm van hilariteit in het publiek laat hij zich uitdagen tot vergaande uitspraken op basis van een zelfvergenoegde waarheidsvinding.

Aangezien een column kort moet blijven wil ik het houden bij het ambtenaarschap, maar niet zonder een enkel woord over werknemers.

Wie mij kent weet dat ik in mijn beroepsleven vele bedrijven van binnen heb gezien. Ik heb mezelf altijd wijs gemaakt dat ik de taal van de ondernemers redelijk versta. Bij het klagen over werknemers heb ik ondernemers altijd voorgehouden dat zij, de werknemers dus, in ieder geval één ding kunnen waartoe ondernemers niet in staat zijn: werken voor een baas. Alles wat aan werknemers wordt toegeschreven wordt bij ondernemers uitvergroot herkend: Een absoluut gebrek aan gevoel voor hiërarchie, ongebreidelde vrijheidsdrang, een hekel aan bindende structuren en een genetische eigenzinnigheid.

Dan nu de ambtenaar.
Een ambtenaar is een natuurlijk persoon (een mens dus) die is aangesteld in een openbare betrekking om een deel van de overheidstaken te verrichten mits ondergeschikt aan een hoger gezag. (Wikipedia) Ambtenaren doen dus niks op eigen gezag en kunnen niet voor zichzelf beginnen zal ik maar zeggen. Ambtenaren zijn hoogstens de butler van het huis van de samenleving. Butlers zijn wel vaak de baas in huis maar niet de baas van het huis net zo als een kapitein wel de baas op het schip is maar meestal niet van het schip. Het zijn wel meestal autonome persoonlijkheden maar daar kan niks op tegen zijn.

Toch wordt het ambtelijk apparaat vaak door ondernemers beleefd als hindermacht. Afgaande op de populaire ambtenarenmoppen, waarin slapen en uit het raam kijken tot de standaardcompetenties worden gerekend, eigenlijk een onzinnige aantijging.

De Franse edelman, en politiek filosoof, Alexis de Tocqueville bezocht in 1830 de Verenigde Staten om de moderne democratie te bestuderen. De man vond de nieuwe staatsvorm op zich wel boeiend en interessant maar had wel zo zijn bedenkingen.
“De overheid zal de samenleving in een net spannen van ingewikkelde, gedetailleerde en eenvormige verordeningen waardoor zelfs de meest originele en wilskrachtige geesten zullen worden gelijkgeschakeld. Men zal mensen tot niets dwingen, maar men zal zoveel belemmeringen aan de persoonlijke activiteiten opleggen, dat uiteindelijk elk initiatief uitdooft”.
“Ze zullen zelfs het gebruik van tabak nog eens verbieden” zo voorspelde de man. Daarbij was hij de mening toegedaan dat in een dergelijk systeem de besten ongetwijfeld voor het geld zouden gaan.

En daar zit nou juist de essentie. Onze Alexis verbaasde zich erover dat, anders dan in de klassieke maatschappij waarbij de bezittende klasse tevens de plicht tot oorlog en bestuur had, je in de nieuwe wereld mocht doen wat je wilde en waar je goed in was zonder rechtstreekse tegenprestatie. Ook ondernemen. Je mocht rijk worden terwijl anderen zich bezig hielden met het innen van belasting, het aanleggen van wegen en spoor, het organiseren van het onderwijs en het inrichten van gevangenissen. De moderne maatschappij voorzag in een andere arbeidsdeling en een ander statusstelsel. Ondernemen werd sexy en ondernemers de nieuwe helden.  In dit beeld zijn ondernemers geen slachtoffer van de bureaucratie maar de happy few, de vrijgestelden.  In de vergelijking met het voetbalspel zijn zij de spelers waar naar de mensen opkijken terwijl de overheid zorgt voor de spelregels, het wedstrijdschema, het management van het bondskantoor en de aanstelling van scheidsrechters.

De overheid en haar ambtenaren zorgen voor een efficiënte tijdsbesteding van ondernemers.  Zij hoeven geen tijd te stoppen in het onderhandelen over de hoogte van de vennootschapbelasting, de boete voor te hard rijden, de hoogte van het collegegeld van hun studerende kinderen of de hypotheekaftrek. Dat is en wordt allemaal geregeld. Ondernemers mogen eindeloos doen waar ze goed in zijn en het liefste willen.

Hebben ondernemers nou echt een hekel aan ambtenaren. Volgens minister Donner valt dat in de praktijk wel mee als je de gretigheid ziet waarmee ieder nieuw probleem onmiddellijk bij de overheid wordt neergelegd. En zelfs Hennie van de Most laat in een interview weten op zich geen hekel te hebben aan mensen die de bureaucratie draaiende houden hoewel het er naar zijn idee wel steeds meer worden.

Tot slot wil ik afsluiten met een ambtenarenmop. Enerzijds vanwege een gevoelde verplichtende sportiviteit anderzijds om u gewoon voor te zijn.
“Van hard werken is nog nooit iemand doodgegaan”zegt het hoofd van een gemeentelijke afdeling tegen een van zijn minder gedreven medewerkers. “Dat weet ik wel”, luidt het antwoord, “maar ik wil niet de eerste zijn”.